Drie blikken

Elia stond met zijn gezicht naar het licht. Zijn ogen zochten de hemel, alsof daar een antwoord zweefde, net buiten bereik. Hij weigerde te geloven dat de wereld alleen duister kende. In zijn blik lag verwachting — niet naïef, maar hardnekkig hoopvol.

Naast hem zat Silas, zijn hoofd gebogen. Zijn handen vouwden zich nerveus om elkaar, als een gebed dat nooit uitgesproken werd. Hij voelde de last van wat hij had genegeerd, of misschien zelfs veroorzaakt. Zijn ogen staarden naar de grond, waar elke steen een herinnering was aan wat had kunnen zijn. Stilte was zijn taal.

Cassian draaide zich weg. Zijn ogen dwaalden over de horizon, maar zagen niets. Hij voelde de anderen, hun ongemak, hun pijn — maar hij koos de verte. Niet omdat hij het niet wist, maar juist omdat hij het wél wist. Weten en toch wegkijken: dat was zijn keuze, zijn verdediging.

Ze stonden daar: drie figuren, drie reacties op dezelfde werkelijkheid. Hoop, schuld, en ontwijking. Maar onder hun blikken klopte dezelfde waarheid.

Want wegkijken is geen optie.

De drempel van het licht
Er waren eens drie pelgrims die elkaar ontmoetten aan de voet van een berg die geen naam had. Men noemde haar de Berg van het Oordeel, maar zij die haar beklommen noemden haar liever de Berg van het Licht. Niemand wist wat er aan de top te vinden was — alleen dat wie opklom, veranderd terugkeerde. Als ze al terugkeerden.

Elia — De Zoeker
Elia liep altijd als eerste. Zijn ogen waren naar de hemel gericht, alsof hij een teken verwachtte. Hij sprak zelden, behalve om zijn hoop uit te spreken — niet als een droom, maar als een belofte.

“Het licht verlaat ons niet,” zei hij zacht. “Wij keren er slechts van af.”

Hij droeg een mantel vol stof, maar zijn blik bleef helder. Waar anderen twijfel zagen, zag hij een doorgang. Zelfs de stilte beantwoordde hij met geloof.

Silas — De Schuldige
Silas liep met gebogen hoofd. Zijn voeten volgden Elia, maar zijn hart bleef achter.
Hij had gefaald, dat wist hij. Hij had ooit iets laten gebeuren dat niet meer terug te draaien viel.

“Ik ben niet waardig om deze berg te beklimmen,” fluisterde hij tegen de wind.
Toch bleef hij lopen. Elke stap voelde als boetedoening. Zijn gebed was stil, maar hardnekkig.

Cassian — De Ontwijker
Cassian liep schuin achter de anderen. Zijn blik was op de verte gericht — niet op de hemel, en zeker niet op zijn hart.

“Sommige vragen zijn te groot om te stellen,” zei hij, als de anderen hem vroegen waarom hij zweeg.
Hij geloofde, diep vanbinnen. Maar dat geloof had hij opgeborgen achter lagen van scepsis, ironie en afleiding.

De Nacht op de Berg
Op een nacht, vlak onder de top, werden ze tegengehouden door een wachter van licht. Deze sprak geen woorden, maar zijn ogen doorboorden hen met zuivere helderheid.

“Wie verder wil gaan,” klonk het tenslotte, “moet zijn waarheid dragen.”

Elia knielde en zei: “Mijn hoop is geen zekerheid, maar een keuze. Ik weet niet wat ik zal vinden — maar ik blijf geloven dat het goed is.”

Silas legde een steen op de grond: “Mijn schuld draag ik al jaren. Ik weet niet of ik vergeven ben, maar ik kies ervoor te blijven lopen.”

Cassian zweeg lang. Toen zuchtte hij: “Ik heb gekeken, en ik heb weggestuurd. Niet omdat ik niets zag, maar omdat ik bang was. Maar vandaag blijf ik kijken.”

De wachter boog zijn hoofd. En de poort opende zich — niet met geweld, maar als een ademtocht.

De Top
Ze stonden samen op de top. Daar was geen stem, geen visioen, geen verklaring. Alleen het licht — niet fel, maar diep. Het vulde hen niet met kennis, maar met vrede.

En in de stilte wisten ze:

Het licht had nooit buiten hen gelegen. Het had gewacht, geduldig, totdat zij het durfden te dragen.