Lang geleden, toen de wereld nog werd gevormd door goden van vakmanschap, orde en perfectie, heerste in de steden de machtige Arketon. Hij was de god van rechte lijnen, van beton en blauwdrukken. Onder zijn blik groeiden gebouwen als grafieken: strak, hoog en efficiƫnt. Elk raam had een functie, elke muur een reden. Mensen leerden van hem en bouwden doelgericht, snel en recht omhoog. De steden werden indrukwekkend, maar ook zwaar. Alles had een plek en alles had haast. Toch fluisterden wind en vogels over een andere kracht: Palaestra, godin van chaos en spel. Zij beschermde het eerste kind dat ooit stenen stapelde uit pure nieuwsgierigheid. Op een dag keerde zij terug, midden in een stad van beton. Onzichtbaar bracht zij een idee tot leven op een leeg plein. Daar verscheen een vreemde structuur, grillig en speels. Blokken leken te dromen van bomen, bruggen en vlucht. Niets was af, alles mogelijk. Kinderen kwamen eerst, daarna volwassenen. De stad vertraagde, ademde, herinnerde zich spel. Arketon zag het en begreep, met tegenzin: niet elk bouwwerk vraagt om nut. Soms begint schoonheid met spelen. Zo bleef de mythe leven in verhalen, pleinen en harten van mensen die weer durfden spelen zonder reden misschien.


