walls

De stad kraakt onder bouwkoorts. Krabbers rijzen als hongerige vingers, schaduwen vallen op wat ooit leefde. Machines dreunen als hartslagen van winst, de lucht ruikt naar stof en haast. Baksteen na baksteen verdringt herinnering. Overal muren, nergens stilte. De hemel raakt verstopt.
Maar dan, tussen het lawaai, een adem. Een stil moment waarin iemand luistert — naar het gras dat verdwijnt, naar vogels zonder vlucht. Een kind tekent een boom op een hek. En even stokt de machine. De waan valt stil. Want diep vanbinnen weet men: een stad die alleen groeit, maar niet leeft, sterft aan haar eigen muren.